DEPUTAATSCHAP VOOR ISRAËL

Historie van het Deputaatschap voor Israël

In januari 1993 bespreekt Generale Synode van de Gereformeerde Gemeenten een rapport van de commissie “tot onderzoek naar de roeping van de kerk voor Evangelieverkondiging aan Israël”. Met name de Golfoorlog van 1990 -1991 heeft de vraag opgeworpen wat de Gereformeerde Gemeenten voor Israël en het Joodse volk kunnen doen. Deze oorlog maakt pijnlijk duidelijk dat deze zich nog steeds in een moeilijke positie bevinden. Er vallen raketten op Israëlische steden waarbij gevreesd wordt voor chemische wapens. Vanuit de gemeenten wil men hulp bieden, maar een geschikt kanaal ontbreekt. Naast de roep om deze praktische hulp aan Israël komen ook vragen over Evangelieverkondiging in Israël naar boven. Predikanten zoals ds. G.A. Zijderveld en ds. R. Boogaard onderstrepen al jaren de opdracht hiertoe. Zij wijzen op de rijke beloften die Gods Woord bevat voor de aanstaande bekering van het Joodse volk. Die beloften zijn met name door de apostel Paulus in Romeinen 9 -11 verwoord.

Er zijn  begin jaren ‘90 verschillende partijen binnen de Gereformeerde Gemeenten actief bezig met Israël. De jeugdbond (JBGG) houdt winterconferenties waar de Messiasbelijdende predikant ds. Baruch Maoz spreekt. Het Deputaatschap voor Hulpverlening in Bijzondere Noden krijgt verzoeken om hulp te geven aan Israël, de Zending Gereformeerde Gemeenten (ZGG) beseft dat er veel vragen zijn over “zendingswerk” onder Joden. De Generale Synode van januari 1993 neemt de conclusies van het voornoemde rapport met enkele kleine wijzigingen over en besluit een sectie van het Zendingsdeputaatschap in te stellen. Het mandaat van deze sectie luidt: “Vanuit de voortgaande bezinning op onze kerkelijke roeping ten aanzien van Israël, het werk van de Evangelieverkondiging in de praktijk ter hand te nemen, dit in overleg met de andere daarvoor in aanmerking komende deputaatschappen”

Naar een apart Deputaatschap

De sectie gaat aan het werk en doet verslag op de Generale Synode van 1995. Er heeft een voortgaande bezinning plaatsgevonden op theologische vragen rondom Israël. Daarnaast is er praktisch onderzoek gedaan naar mogelijkheden om Evangelieverkondiging vorm te geven. Mogelijkheden zijn onderzocht in Nederland, België, Oekraïne en Israël. Plannen worden gemaakt om tot een schriftelijke Bijbelcursus te komen. In het rapport wordt aangegeven dat de aanstelling van een full time kracht belangrijk is om het werk tot ontplooiing te laten komen. De instelling van een apart Deputaatschap voor Israël is noodzakelijk. De argumenten hiervoor zijn ook nu nog opvallend actueel:

  • Het Joodse volk heeft een bijzondere plaats te midden van de andere volkeren. Vanuit hun eigen geschriften kan betuigd worden dat Jezus de Christus is.
  • Het woord “zending” ligt zeer gevoelig bij Joden. Werken vanuit een zendingsorganisatie zou bij voorbaat vele deuren sluiten.
  • Werk onder Joden vraagt een geheel eigen aanpak en verschilt aanzienlijk van het zendingswerk onder heidenen.
  • Het instellen van een deputaatschap zou een aanzienlijke taakverlichting voor het al zwaar belaste zendingsdeputaatschap betekenen.
  • Een eigen deputaatschap kan ertoe leiden dat kerkleden zich meer identificeren met werk onder Israël. Voorlichting en fondswerving kunnen beter gestalte krijgen.

Na bespreking in de Generale Synode blijkt een meerderheid voor de instelling van een zelfstandig deputaatschap te zijn. Op woensdagavond 13 september 1995 is het Deputaatschap voor Israël een feit. De definitieve naam en zijn mandaat zijn vastgesteld op de vervolgzitting van de GS op woensdag 10 januari 1996, te weten: Deputaatschap voor Israël voor Evangelieverkondiging en diaconale hulpverlening.

Het mandaat bestaat uit de volgende drie aandachtspunten:

  • Voortgaande bezinning op de plaats van het volk Israël in het licht van de Heilige Schrift en op onze kerkelijke opdracht ten aanzien van dit volk.
  • Het verkondigen van het Evangelie onder het volk Israël.
  • Het wekken van liefde tot het volk Israël binnen onze gemeenten, het stimuleren van belangstelling voor onze kerkelijke opdracht en het bestrijden van anti-semitisme vanuit christelijk perspectief.

Bemanning

Ds. G.J. Baan; ds. C.J. Meeuse;
ds. P. van Ruitenburg; ds. W. Silfhout;
ds. C. Sonnevelt; student C. Neele;
oud. G. Roos; oud. J. Seip; ev. Joh. Witte
 

Binnen het deputaatschap werden de functies als volgt gekozen:

  • Voorzitter: ds. C.J. Meeuse
  • Secretaris: ds. C. Sonnevelt
  • Penningmeester: J. Seip

Groei in werkzaamheden

In de beginperiode zijn veel onderzoeksreizen gedaan, is er voorlichting in de gemeenten gegeven, zijn de eerste projecten gesteund en vindt er voortgaande bezinning plaats op de vraag naar de roeping van de kerk ten aanzien van het Joodse volk. Tal van contacten zijn gelegd in binnen- en buitenland. De behoefte aan een betaalde kracht laat zich meer en meer voelen. Aanvankelijk denkt men daarbij aan een evangelist in algemene dienst met als standplaats Nederland. Men kan echter niet tot een benoeming overgaan. Daarom is besloten om de functieomschrijving voor de fulltime kracht aan te passen naar algemeen secretaris. In het voorjaar van 1998 wordt de heer A. Moerdijk benoemd. Vanuit zijn woning in Terschuur pakt hij het werk op. Hij bereidt de vergaderingen van het deputaatschap voor en voert de genomen besluiten uit. Na anderhalf jaar besluit de heer Moerdijk zijn beroep in het bedrijfsleven weer op te pakken. Hij wordt per 1 januari 2000 opgevolgd voor J.J. de Jong, de huidige algemeen secretaris. In de volgende jaren wordt het werk uitgebouwd. Het aantal diaconale projecten groeit, zowel in Oekraïne (steun aan gaarkeukens) als in Israël. Grote hoeveelheden Bijbels en boeken zijn verspreid. Om dit in goede banen te leiden, is in het voorjaar van 2002 de heer P.M. Vos tot lectuurwerker benoemd. Bijbelstudies en seminars zijn gehouden.

Uitzending van werkers

Gaandeweg versterkt het verlangen om werkers uit te zenden naar Israël en Oekraïne. Om de situatie goed in kaart te brengen en een uitzending van een werker voor te bereiden verblijft deputaat ds. C. Sonnevelt in 2001 en 2002 negen maanden in Israël. Daarna wordt de werving voor een medewerker Israël gestart. Begin 2003 wordt een vertegenwoordiger benoemd en in 2004 uitgezonden naar Israël.  In datzelfde jaar wordt de heer Iz. van Rijssel benoemd tot medewerker Oost-Europa en uitgezonden naar Oekraïne. Samen met zijn vrouw vestigt hij zich in Novograd-Volinskiy.

Actuele situatie

In Israel mag het werk onder het Joodse volk goede voorgang hebben. Diverse diaconale projecten worden gesteund.

In Oekraïne legt in december 2011 dhr. Van Rijssel zijn werk als Oost-Europawerker na zeven jaar neer. Voor hem werd geen opvolger aangesteld. In plaats daarvan wordt een Reformed Theological Seminary opgezet dat via e-learning lessen aanbiedt. Zes deelnemers, ambtsdragers van Messiasbelijdende gemeenten, volgt de cursus. Inmiddels is het eerste deel van de cursus (bestudering van de Institutie van Calvijn) met succes afgesloten.

Ds. R. Boogaard

Ds. R. Boogaard was in 1992 één van de sprekers op de JBGG-conferenties.

Baruch Maoz en J.J. de Jong

Tijdens de Winterconferenties van de JBGG in 1992 sprak ook de Messiasbelijdende predikant Baruch Maoz. Rechts zijn vertaler: jeugdwerkadviseur J.J. de Jong.

Ds. P. van Ruitenburg

Ds. P. van Ruitenburg was één van de leden van de sectie van het Zendingsdeputaatschap.

Ds. C. Sonnevelt in Kfar Vradim

Ds. C. Sonnevelt verbleef van najaar 2001 tot zomer 2002 voor een oriëntatieperiode in Israël. Hij woonde in die negen maanden in dit huis in Kfar Vradim in Galilea.

Lectuurwerker P.M. Vos

P.M. Vos bezocht als lectuurmedewerker diverse malen Israël en Oekraïne

Iz. van Rijssel en zijn vrouw

Oost-Europamedewerker Iz. van Rijssel en zijn vrouw waren van 2005-2011 werkzaam in Oekraïne